2011-2014

Symposium ‘Culturele instellingen in Nederland’

Veranderingen in geefgedrag, giften, fondsenwerving en inkomsten tussen 2011 en 2014

Op een symposium op 10 juni 2016 in Theater de Griffioen in Amstelveen hebben de onderzoekers de resultaten gepresenteerd van het onderzoek naar giften en inkomsten van de culturele sector. U kunt het onderzoek verkrijgen via deze link.

In 2012 werd de Geefwet ingevoerd met een multiplier die de aftrekbaarheid van giften aan culturele instellingen verhoogde. Bovendien kregen culturele instellingen meer mogelijkheden eigen inkomsten te genereren uit commerciële activiteiten. Tegelijk kregen veel instellingen te maken met bezuinigingen en de vraag om meer ondernemerschap. Hoe hebben Nederlandse particulieren en bedrijven met een hart voor cultuur gereageerd op de verhoogde aftrekbaarheid van giften aan cultuur? Zijn zij ook inderdaad meer gaan geven? En hoe hebben de culturele instellingen gereageerd op de bezuinigingen enerzijds en de multiplier anderzijds? Wat voor instellingen hebben de omslag naar ondernemerschap wel kunnen maken en wat voor instellingen niet?

Deze vragen stonden centraal in een onderzoek dat de werkgroep Filantropische Studies heeft uitgevoerd op verzoek van het ministerie van OCW naar de effecten van de Geefwet op het genereren van inkomsten door culturele instellingen. Het onderzoek verschaft inzicht in de stand van zaken van de culturele sector op dit gebied en de mate waarin de Geefwet bijdraagt aan de versterking van de culturele sector door stimulering van giften aan cultuur.

Programma

15.30    Aanmelden

16.00    Presentatie onderzoek door prof. dr. René Bekkers

16.30    Annabelle Birnie, Drents Museum

16.45    Marielle Hendriks, Boekmanstichting

17.00    Drankje

 

Nieuws

1 december 2016: het onderzoek over 2015 gaat van start.

15 juni 2016: een samenvatting van het eerdere onderzoek over de jaren 2011-2014 vindt u hier.

9 juni 2016: publicatie onderzoek op Rijksoverheid.nl. U kunt het onderzoek direct verkrijgen via deze link.

9 juni 2016: artikel in NRC-Handelsblad, ‘Effect van Geefwet voor culturele instellingen nu nog nauwelijks merkbaar’

10 juni 2016: presentatie van het onderzoek in de Griffioen. De dia’s vindt u hier.

10 juni 2016: artikel in de Volkskrant, ‘Cultuur profiteert amper van gunstige belastingaftrek’

 

Publicaties en presentaties

Franssen, S.E. & Bekkers, R. (2016). Culturele instellingen in Nederland: Veranderingen in geefgedrag, giften, fondsenwerving en inkomsten tussen 2011 en 2014. Amsterdam: Werkgroep Filantropische Studies, Vrije Universiteit Amsterdam.

Bekkers, R. (2016). Has the charity law reform made the Dutch cultural sector more entrepreneurial?  FARO / Koning Boudewijn Stichting, Brussel, 6 juni 2016.

Bekkers, R. & Franssen, S.E. (2015). Charity Law, Fundraising and Donations: Organizational Level Correlates in the Netherlands. 44th ARNOVA Conference, Chicago, November 19-21, 2015.

Bekkers, R., Mariani, E.E. & Franssen, S.E. (2015). Special: De multiplier in de Geefwet en het geefgedrag aan cultuur. Pp. 217 – 236 in: Bekkers, R., Schuyt, T.N.M., & Gouwenberg, B.M. (Eds.). Geven in Nederland 2015: Giften, Sponsoring, Legaten en Vrijwilligerswerk. Amsterdam: Reed Business.

Bekkers, R. & Franssen, S.E. (2015). De Geefwet en donaties aan cultuur in Nederland. Pp. 16-19 in: Boekman 103. Amsterdam: Boekman.

Franssen, S.E. & Bekkers, R. (2014). Charitable Deduction Reform Effects on Fundraising and Donations: Evidence on Organizational Level Determinants from the Netherlands. 43d ARNOVA Conference, Denver, November 20-22, 2014.

Na een serie interviews en een literatuurstudie presenteerde Saskia Franssen op een seminar aan de VU op 25 september 2014 een eerste tussenstand van het onderzoek. De presentatie vindt u hier.

 

Doel

Het doel van het onderzoek is om de veranderingen in kaart te brengen in het geefgedrag aan algemeen nut beogende instellingen (ANBIs) en de werving van fondsen door ANBIs na de invoering van de Geefwet in 2012. Met name geefgedrag en fondsenwerving op het terrein van cultuur staat centraal in het onderzoek omdat de multiplier in de Geefwet giften aan culturele instellingen fiscaal aantrekkelijker heeft gemaakt.

In het onderzoek naar geefgedrag zijn twee vragen beantwoord:
1. Hoe is het geefgedrag van particulieren en bedrijven aan culturele instellingen en andere categorieën goededoelenorganisaties veranderd na de invoering van de multiplier?
2. Welke ontwikkelingen zijn te verwachten in het geefgedrag?

In het onderzoek onder instellingen stonden twee vragen centraal:
1. Hoe actief waren culturele instellingen in 2012, 2013 en 2014 met het genereren van eigen inkomsten en de communicatie over de Geefwet?
2. Welke culturele instellingen zijn succesvol in het genereren van eigen inkomsten en waarom?

Achtergrond

Op 21 juni 2011 heeft het Kabinet-Rutte een convenant gesloten met de filantropische sector waarin afspraken zijn gemaakt die een groter rendement voor het publieke belang moeten creëren. Het convenant is een uiting van toenadering tussen overheid en de filantropische sector vanuit de gezamenlijke doelstelling het publiek belang te dienen. De overheid draagt al sinds 1952 indirect bij aan de inkomsten voor ANBIs door fiscale maatregelen zoals de aftrek voor giften in de inkomstenbelasting. De toenadering tussen overheid en de filantropische sector komt ook tot uiting in een recente herziening van fiscale maatregelen voor ANBIs.

De Geefwet, die per 1 januari 2012 in Nederland in de wet is opgenomen, bevat enkele wijzigingen in de regels voor de aftrekbaarheid van giften. Vooral voor bedrijven zijn giften aan culturele instellingen aantrekkelijker geworden door een verhoogde aftrekbaarheid van deze giften in de Vennootschapsbelasting. ‘Culturele giften’ mogen eerst met de helft verhoogd worden voordat zij worden afgetrokken. Bovendien wordt de drempel voor giften door bedrijven afgeschaft. Tegelijk is het maximumbedrag aan giften echter gemaximeerd op €100.000. Voor culturele giften door individuele belastingplichtigen geldt ook een verhoogde aftrekbaarheid, maar de verhoging is slechts een kwart. De drempel voor giftenaftrek door huishoudens blijft bestaan.

Door de Geefwet worden culturele giften voor burgers en bedrijven relatief aantrekkelijker en treedt naar verwachting een positief volume-effect op: burgers en bedrijven zullen meer gaan geven aan ANBIs op het terrein van kunst en cultuur. Daarnaast valt een afname te verwachten van giften aan overige instellingen. Het verdringingseffect zal met name optreden in sectoren waar donateurs aan kunst en cultuur ook aan geven. Recent onderzoek heeft laten zien dat huishoudens die geven aan cultuur ook vaker aan goededoelenorganisaties in andere sectoren geven. Huishoudens geven echter vaak incidenteel aan cultuur, waardoor grote fluctuaties van jaar tot jaar kunnen ontstaan. Bedrijven die culturele giften doen geven vaker aan gezondheid, sport en recreatie, en met name aan onderwijs en onderzoek en maatschappelijke en sociale doelen. Tussen deze doelen kan de Geefwet voor verplaatsingseffecten hebben gezorgd. Uit het onderzoek blijkt hoe de omvang en samenstelling van het geefgedrag aan culturele instellingen en andere soorten algemeen nut beogende instellingen door bedrijven en huishoudens in Nederland zich in de periode 2011-2014 heeft ontwikkeld en in het bijzonder in welke mate verplaatsingseffecten zich hebben voorgedaan.

Culturele instellingen kunnen de nieuwe regels voor giftenaftrek gebruiken in fondsenwerving. De verhoogde aftrekbaarheid van culturele giften kan worden gezien als een unieke extra korting, die niet geldt voor overige giften. Om culturele instellingen voor te bereiden op de veranderingen in de financiering van hun activiteiten organiseerde OC&W op 18 mei 2011 een conferentie ‘Cultuur in Beeld: De kunst van het ondernemen’. Naast workshops over cultureel ondernemerschap, verdienvermogen en business modellen konden culturele instellingen workshops volgen over fondsenwerving. Het ministerie van OC&W hoopt dat culturele instellingen mede door de Geefwet gemotiveerd worden om extra hun best te doen om fondsen te werven. Het is onduidelijk in welke mate en op welke wijze culturele instellingen aan fondsenwerving doen. Uit het onderzoek blijkt hoe de werving van fondsen door culturele instellingen in Nederland zich in de periode 2011-2014 heeft ontwikkeld. Hierdoor komt een deel van de mogelijke organisatie-effecten van de Geefwet in beeld.

 

Opzet

Het onderzoek bestaat uit twee delen: een deelonderzoek naar geefgedrag door burgers en bedrijven, en een deelonderzoek naar fondsenwerving door culturele instellingen. Een overzicht van de gegevensbronnen is weergegeven in tabel 1.

Tabel 1. Gegevensbronnen

Tabel 1
In het deelonderzoek naar geefgedrag door burgers en bedrijven zullen gegevens worden geanalyseerd uit het VU-onderzoek Geven in Nederland, aangevuld met gegevens uit het onderzoek Geefcultuur, en nog te verzamelen gegevens.Deelonderzoek Geefgedrag

In het monitoronderzoek Geven in Nederland 2013 zijn met subsidie van het ministerie van Veiligheid en Justitie gegevens verzameld over geefgedrag in het jaar 2011. Dat jaar geldt als basisjaar. De volgende reguliere Geven in Nederland meting, over het kalenderjaar 2013, staat gepland voor mei 2014. De resultaten worden gepubliceerd en gepresenteerd op de Dag van de Filantropie eind april 2015, vandaar de naam “GIN2015”. In het onderzoek worden minimaal 1.500 huishoudens en 1.000 bedrijven ondervraagd.

Een vergelijking van de gegevens over het geefgedrag in 2011 met de gegevens over het geefgedrag in de het jaar 2013 maakt het mogelijk in kaart te brengen hoe de omvang en samenstelling van het geefgedrag aan culturele instellingen en andere soorten algemeen nut beogende instellingen door bedrijven en huishoudens in Nederland zich heeft ontwikkeld. De ‘nulhypothese’ in het deelonderzoek naar geefgedrag is dat de populariteit van kunst en cultuur als doel om aan te geven en de hoogte van de gedoneerde bedragen onder huishoudens en bedrijven in deze periode niet is veranderd.

Hoewel de Geefwet per 1 januari 2012 werd ingevoerd, gaf de Europese Commissie pas in maart 2013 goedkeuring voor de multiplier voor giften aan cultuur. Veel culturele instellingen hebben gewacht met promotie van de Geefwet tot deze goedkeuring was gegeven. In het kalenderjaar 2013, het jaar waarover in GIN2015 wordt gemeten, kan het geefgedrag nog niet sterk veranderd zijn door de Geefwet. Als het geefgedrag inderdaad al wel is veranderd, dan nog zal de kans dat we een dergelijke verandering in GIN2015 kunnen vaststellen klein zijn. Om de ontwikkelingen in het geefgedrag op de voet te kunnen volgen is in 2015 een extra meting gehouden die betrekking heeft op het kalenderjaar 2014. Het ligt voor de hand dat de effecten van de Geefwet dan wat meer uitgekristalliseerd zullen zijn.

In het onderzoek naar geefgedrag krijgt een groep donateurs bijzondere aandacht. Dit zijn vermogende Nederlanders. Van de gehele Nederlandse bevolking geeft ongeveer 9% aan kunst en cultuur. Onder vermogende Nederlanders is dit naar schatting 34%, ruim drie keer zo hoog, zo blijkt uit ons eerdere onderzoek naar geefgedrag door vermogende Nederlanders. Ook de bedragen die vermogende Nederlanders doneren aan kunst en cultuur (gemiddeld €540) zijn een veelvoud van de bedragen die door een representatieve steekproef Nederlanders worden gegeven (gemiddeld €34). Vermogende Nederlanders maken bovendien veel vaker gebruik van de giftenaftrek. Als de multiplier voor cultuur een effect heeft, dan is dit effect waarschijnlijk het beste te zien onder vermogende Nederlanders. Het is daarom van belang om specifiek onder vermogende Nederlanders de veranderingen in het geefgedrag in kaart te brengen. Omdat in representatieve steekproeven zich slechts kleine aantallen vermogende Nederlanders bevinden, is in 2012 een aanvullende steekproef van vermogende Nederlanders ondervraagd met dezelfde vragenlijst als het kerngedeelte van het Geven in Nederland onderzoek. In de GIN2015 projectaanvraag wordt voorgesteld in 2014, parallel aan het kerngedeelte van Geven in Nederland, opnieuw een aanvullende steekproef van vermogende Nederlanders te ondervragen. In 2015 wordt dan een extra meting onder vermogende Nederlanders ondervraagd, om de verandering in het geefgedrag op een zo lang mogelijke termijn in kaart te brengen.

Beperkingen. Er zijn vier complicerende factoren die een zuivere schatting van de effecten van de Geefwet bemoeilijken. Deze complicerende factoren vormen beperkingen van het deelonderzoek naar geefgedrag.

Een eerste complicerende factor is de gelijktijdige bezuiniging op subsidies aan culturele instellingen door de landelijke overheid en door provincies en gemeenten. De te verwachten toename in het particuliere geefgedrag is naar verwachting slechts een fractie van de totale omvang van de bezuinigingen. De landelijke bezuinigingen bedragen €200 miljoen. Voor donateurs creëren de bezuinigingen enerzijds het bewustzijn dat er een grotere behoefte is aan giften. Anderzijds kunnen bezuinigingen een gevoel van verplichting creëren, dat averechts werkt op de geefbereidheid. Dat de bezuiniging samenvalt met de invoering van de geefwet maakt het moeilijk om de gedragseffecten van de Geefwet te isoleren. In de recente meting van het Geven in Nederland onderzoek zijn voorbereidingen getroffen om toch zo goed mogelijk de effecten in kaart te brengen. Er zijn specifieke vragen gesteld over het gebruik van de giftenaftrek en over de geefbereidheid in relatie tot overheidsbezuinigingen. Een vergelijking van respondenten die een toenemende geefbereidheid rapporteren met respondenten die een afnemende geefbereidheid rapporteren geeft de mogelijkheid statistisch de invloed van geefbereidheid uit te schakelen.

Een tweede complicerende factor die een schatting van het effect van de Geefwet bemoeilijkt is de economische crisis. Het is goed mogelijk dat er in 2012 een algemene afname in de geefbereidheid optreedt die het gevolg is van de economische recessie. De relatieve ontwikkeling in het geefgedrag aan de sector kunst en cultuur ten opzichte van andere sectoren is daarom het relevante criterium voor toetsing van theorieën over geefgedrag.

Een derde complicerende factor die een schatting van het effect van de Geefwet bemoeilijkt is de anonimiteit van respondenten in de aanvullende steekproef onder vermogende Nederlanders. Om de respons onder vermogende Nederlanders op peil te houden is medewerking aan het onderzoek anoniem gehouden. Daardoor is het niet mogelijk om het geefgedrag van deze respondenten op individueel niveau in de loop van de tijd te volgen. Wel kunnen trends in de groep vermogende Nederlanders als geheel in kaart worden gebracht.

Een vierde complicerende factor is de grote spreiding van het geefgedrag aan cultuur tussen de onderzoekseenheden en over de tijd. Er zijn normaal gesproken grote verschillen in het geefgedrag aan cultuur tussen huishoudens en bedrijven onderling: de meeste bedrijven en huishoudens geven niet aan cultuur, en sommige bedrijven en huishoudens geven juist heel veel. Dit maakt het moeilijk om een verschuiving in het geefgedrag met een hoge mate van betrouwbaarheid statistisch vast te stellen. We hebben zogenaamde power analyses gemaakt van de effectgrootte die bereikt moet worden in het onderzoek om met voldoende zekerheid te kunnen zeggen dat het gebruik van de giftenaftrek en het geefgedrag inderdaad is toegenomen. We zijn in de analyse uitgegaan van een significantieniveau van 5% en het reguliere aantal waarnemingen in de steekproeven van bedrijven (n=1.000), huishoudens (n=1.500) en vermogende Nederlanders (n=1.250). De gewenste power is .80. Dit betekent dat de kans dat we de conclusie dat het gebruik van de giftenaftrek en het geefgedrag inderdaad is toegenomen correct hebben getrokken is 80% is. De resultaten van de analyses zijn weergegeven in tabel 2.

Tabel 2. Effectgrootte waarbij een statistische power van .80 wordt bereikt

Tabel 2
De grootste power heeft de analyse van het gebruik van de giftenaftrek. Als het gebruik van de giftenaftrek voor bedrijven met 4% is toegenomen, van 36% in 2011 naar 42% in 2013, bereiken we bij een 5% significantieniveau al een power van .80.

De power van de analyse van veranderingen in de hoogte van het bedrag dat bedrijven geven en sponsoren op het terrein van cultuur is kleiner. De hoogte van het geefgedrag aan cultuur door bedrijven moet met 45% toenemen om eenzelfde kans te bereiken dat we het effect kunnen vaststellen. Dit komt doordat slechts een klein percentage van de bedrijven (4,5%) geeft aan cultuur, maar wel relatief grote bedragen geeft. Bij een dergelijke grote spreiding neemt de power sterk af. Bij sponsoring door bedrijven van culturele doelen is het percentage dat daaraan doet weliswaar groter (9%) maar de spreiding in het totaalbedrag nog veel groter. Ook voor de huishoudens en vermogende Nederlanders moet het geefgedrag relatief sterk toenemen (met respectievelijk 45% en 37%) om een verandering vast te stellen. Als meer bedrijven, huishoudens en vermogende Nederlanders worden onderzocht neemt de power toe. Als we de zekerheid willen verhogen moet ook het aantal onderzochte bedrijven, huishoudens en vermogende Nederlanders worden verhoogd.

Deelonderzoek fondsenwerving

In het deelonderzoek naar fondsenwerving zullen gegevens worden verzameld onder een groot aantal culturele instellingen. Een volledig beeld van de doelpopulatie van culturele instellingen in Nederland ontbreekt. Het is op dit moment onbekend hoeveel culturele instellingen in Nederland geregistreerd zijn als Algemeen Nut Beogende Instelling. Het steekproefkader wordt daarom gevormd door een toevallige selectie van ANBIs uit het register van de belastingdienst. Een deel van deze organisaties heeft deelgenomen aan de stimuleringsprogramma’s van OC&W voor cultureel ondernemerschap en fondsenwerving. Kleinschalige particuliere initiatieven, individuele kunstenaars en eenmalige projecten die geen culturele ANBI zijn, zijn grotendeels buiten beeld gebleven.

Van de culturele organisaties is in kaart gebracht in welke mate zij actief zijn in fondsenwerving en op welke wijze zij aan fondsenwerving doen. Het onderzoek besteedt speciale aandacht aan de wijze waarop de culturele organisaties de mogelijkheden die de Geefwet biedt onder de aandacht van potentiële donateurs heeft gebracht. Daarnaast heeft het onderzoek in kaart gebracht hoe de fondsenwerving is georganiseerd: ‘in huis’ of extern, hoeveel personeel wordt ingezet, en welke middelen ervoor worden ingezet. Crowdfunding platforms zoals cinecrowd en voordekunst lijken langzaamaan een steeds groter succes te worden. Hoeveel instellingen maken gebruik van deze nieuwe manier van fondsenwerving? De inzet op fondsenwerving is in verband gebracht met kenmerken van de organisaties, waaronder de leeftijd en de omvang van de organisatie, kenmerken van de activiteiten en producten van de organisatie, en kenmerken van de doelgroep waar de organisatie zich op richt. De ‘nulhypothese’ in het deelonderzoek naar fondsenwerving is dat de inzet van culturele organisaties op fondsenwerving in de periode 2011-2014 niet is veranderd.

Advertisements